woensdag 25 mei 2016

College van burgemeester en schepenen kan wel degelijk een uiterst dringende noodzakelijkheid doen gelden voor RvVb

Zo blijkt uit het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. RvVb/UDN/1516/1121 van 23 mei 2016:

‘De belanghebbende partij werpt vergeefs op dat de verzoekende partij onvoldoende persoonlijk nadeel heeft bij de gevorderde schorsingsmaatregel, nu niet de verzoekende partij maar wel de stad titularis is van haar vergunningsbeleid. De verzoekende partij is immers vergunnigverlenend bestuursorgaan in eerste aanleg. Als zodanig waakt zij door het gericht toekennen of weigeren van vergunningsaanvragen over de naleving van het ruimtelijk beleid van de stad, zoals dit onder meer vertaald wordt in stedenbouwkundige verordeningen en de gemeentelijke uitvoeringsplannen. In de mate de verzoekende partij van oordeel is dat een vergunning die in administratief beroep toegekend is, de benaarstiging van haar concreet vergunningenbeleid doorkruist, ondergaat zij wel degelijk een persoonlijk nadeel tengevolge van de bestreden vergunningsbeslissing en wordt zij gehinderd in de uitvoering van haar bestuurlijke taken.

De verzoekende partij verwijst in haar verzoekschrift naar de motivering van haar weigeringsbeslissing genomen op 9 november 2015, waarin zij het behoud van het betrokken hoekpand als volgt motiveert:

‘Het betreft een beeldbepalend pand binnen de historische binnenstad van Kortrijk dat zich bovendien op een bijzondere zichtlocatie langs de Leie bevindt (…).
Dit historisch pand neemt door zijn verhoudingen eenduidig de originele schaal en verhoudingen aan van de oorspronkelijke Vismarkt (…).
Daarom dringen wij aan op het behoud en de integratie van de waardevolle bebouwing in het nieuwbouwproject, omdat dit een meerwaarde zou betekenen tussen als overgang tussen de hoogbouw Handelskaai en de historische bebouwing Kasteelkaai (voormalige Vismarkt). De waardevolle woning vormt nu reeds een passende gevelwand van het te herwaarderen driehoekige plein’.

De verzoekende partij motiveert aldus op afdoende wijze haar persoonlijk en concreet nadeel bij huidige vordering dat ertoe strekt het beeldbepalend en waardevol hoekpand te behouden, minstens te integreren in het voorziene nieuwbouwproject’.
  
Referte: Pub5648-2 

Gemeente kan maar informeren wat zij weet

In een arrest van 13 mei 2016 verwerpt het hof van beroep te Gent de aansprakelijkheidsvordering die door een koper werd ingeleid tegen de gemeente. Het heette dat de gemeente gebrekkige informatie zou hebben verstrekt.

Het Gentse hof overweegt:

‘Van welkdanige fout in hoofde van de gemeente O. of het Vlaamse Gewest is evenwel geen sprake.

Inzonderheid werd naar aanleiding van de onderhandse overeenkomst geen fout begaan bij de informatieverstrekking.

De kopers waren reeds op de hoogte van het onteigeningsrisico en zoals reeds aangehaald bestond er op datum van het ondertekenen van de onderhandse verkoopovereenkomst geen zekerheid over de onteigening, laat staan over de concrete uitwerking daarvan.

De na het ondertekenen van de compromis door de gemeente verstrekte stedenbouwkundige inlichtingen waren evenzeer correct.Op dat ogenblik was er een geldige verkavelingsakte voorhanden en geen onteigeningsplan zodat de aan de notaris overgemaakte inlichtingen wel juist en afdoende waren. Op heden ligt trouwens nog steeds geen onteigeningsmachtiging voor zodat niet valt in te zien welke andere gegevens hadden moeten zijn meegedeeld.

Tot op vandaag is niet duidelijk of en wanneer de onteigening daadwerkelijk zal aanvangen. Er ligt nu wel een onteigeningsplan voor maar dat dateert inmiddels ook al van twee jaar geleden en sindsdien is er kennelijk niets meer gebeurd.

Zoals blijkt uit de evolutie van het dossier is de concrete uitvoering afhankelijk van tal van factoren en kan van de overheid niet verwacht worden dat zij zich vastpint op één of andere datum daar waar zij hier kennelijk zelf nog geen zicht op had en heeft.  Dit alles heeft niets te maken met het niet willen of weigeren of beantwoorden van vragen.

Zoals reeds aangehaald, betreft de aanleg van de rotonde een evolutief proces, werd in 2010-2011 slechts de aanzet tot de herinrichting van het kruispunt gegeven en is de concrete uitwerking ervan pas geleidelijk in de jaren nadien gevolgd.

Er is dus geen schending van informatieplicht en evenmin van het rechtzekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur nu de kopers heel goed wisten dat een onteigening zich mogelijkerwijze zou aandienen. Er kan hier niet gewaagd worden van verworven rechten ingevolge de goedgekeurde verkaveling waaruit zelfs niet concreet de gebeurlijk te onteigenen oppervlakte kon worden afgeleid.

Dat F.W. en M.-H. S. ‘vandaag’ moeten aankopen en ‘morgen’ zouden worden onteigend, staat nog steeds niet vast. Zoals gezegd is het voorwerp van de overeenkomst nog altijd voorhanden.

Het is in dit verband ook niet relevant dat de overheid zou meedelen welke impact de werken op het onroerend goed zullen hebben nu deze werken pas sedert april 2012 geconcretiseerd werden en dit op 13 juli 2011 nog geenszins het geval was.

Welkdanige onderzoeksmaatregel (‘nadat de onteigeningsbesluiten zullen zijn genomen’) of voorbehoud wordt dan ook afgewezen en de vrijwaringsvorderingen zijn ongegrond.’

 Referentie: Gent 13 mei 2016, nr. 2013/AR/2555 en 2013/AR/2636, ng. (Pub503431)

woensdag 4 mei 2016

Coördinatieproblemen bewijzen op zich geen fout in hoofde van de aanbestedende overheid

Zo oordeelde het hof van beroep te Gent in een belangwekkend arrest van 12 april 2016:

'Nergens in zijn verslag bekrachtigt de deskundige dat de coördinatie van de werken door de opdrachtgever gebrekkig is geweest. NV K. stelt ten onrechte dat het Studiebureau P. zelf coördinatiefouten zou hebben toegegeven, hetgeen niet kan afgeleid worden uit het feit dat het moeilijkheden zou hebben vastgesteld. Coördinatieproblemen zijn per se nooit uitgesloten bij het uitvoeren van gezamenlijke uitvoering van werken voor rekening van verschillende aanbestedende overheden die samengevoegd waren overeenkomstig artikel 19 van de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993. Te dezen waren de gemeente Waregem en de Bouwmaatschappij Helpt Elkander immers medeopdrachtgevende besturen.

Bij het tussenarrest (p. 9) heeft het hof al geoordeeld dat ‘in zoverre artikel 28 §2 van het bestek de rechten tot schadevergoeding in hoofde van de aannemer zouden beperken, artikel 28 §2 van het Bijzonder bestek inderdaad als onbestaande diende te worden beschouwd’.

Dit neemt niet weg dat dit artikel van het Bijzonder bestek een duidelijke waarschuwing aan het adres van de inschrijver uitmaakte over de hinder die het gevolg kon zijn van de gelijktijdige veranderingen en uitbreidingswerken uit te voeren door de nutsmaatschappijen aan hun installaties. Coördinatieproblemen impliceren op zich geen fout(en) in hoofde van het opdrachtgevende bestuur.

NV K. blijft tevens in gebreke aan te tonen dat het bestuur enige aansprakelijkheid zou dragen voor onderbrekingen door de omstandigheid dat het terrein niet zou hebben voldaan aan de voorwaarden van het standaardbestek 250, hetgeen opnieuw de gerechtsdeskundige niet in zijn verslag bevestigt.

Het bestuur heeft te dezen lang voor de gunning van de opdracht en de aanvang van de werken allerlei vergaderingen belegd en strikte afspraken gemaakt met de betrokken nutsmaatschappijen of bouwmaatschappijen. Tijdens de uitvoering van de werken werden niet minder dan 48 coördinatievergaderingen met allerlei betrokken partijen gehouden en het kan dus niet worden voorgehouden dat het bestuur geen bijzondere aandacht heeft besteed aan de goede uitvoering van de gelijktijdige aannemingen.

De aannemer laat in deze omstandigheden na om aan te tonen dat hij aanspraak kan maken op schadevergoeding op grond van artikel 15, §5 (of op basis van artikel 16, §1 e.v.) van de A.A.V.

De oorspronkelijke vordering van de NV K. tegen het bestuur, (…), wordt bijgevolg ongegrond verklaard.’

Ref: Gent, 12 april 2016, ng. (AR 2007/2316 en 2007/3115), Pub502646.

maandag 2 mei 2016

Over de ‘ruimtelijke implicaties’ van een met een uitvoeringsplan – of aanlegplan – strijdig gebruik

In een arrest van 12 april 2016 van de 9e kamer van het hof van beroep te Gent  wordt in zoveel woorden gesteld dat er geen voortgezet misdrijf bestaat in de zin van artikel 6.1.1., lid 1, 1° VCRO.

De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur stelde evenwel dat hij zijn vordering nog kan enten op het misdrijf zoals voorzien in artikel 6.1.1., lid 1, 6° VCRO, m.n. een voortgezet misdrijf van een met het gewestplan strijdig gebruik, bestaande uit een ‘niet door de strafrechtelijke verjaringstermijn onderbroken’ reeds op zichzelf, (als aflopend misdrijf) strafbare handelingen van met het gewestplan strijdig gebruik, die zouden gepleegd zijn met dezelfde misdadige zet, zoals bedoeld in artikel 65 Sw.'

Het hof wijst erop dat er maar sprake kan zijn van een ‘voortgezet’ misdrijf van met het gewestplan strijdig gebruik indien er sprake is van ruimtelijke implicaties.

Dit was in casu niet het geval:

‘De vader van M. verkreeg op 6 november 1979 een bouwvergunning voor het verbouwen van een bestaande woning. Evenwel werd het bestaande gebouw gesloopt en werd een nieuwbouw opgericht, iets meer verwijderd van de straat dan het oude gebouw. Los van de mogelijke ruimtelijke implicaties van het bestaan van deze nieuwe constructie op de goede ruimtelijke ordening, is het hof van oordeel dat het gebruik van voor bewoning (als één woonentiteit) in onderhavig specifiek geval geen ruimtelijke implicaties heeft, te meer nu ook indien vader W. zich had gedragen naar de verkregen bouwvergunning, er evenzeer sprake zou zijn van bewoning/één woonentiteit op kwestieus perceel.

De vordering is dan ook af te wijzen als niet gegrond.’

Ref.: Gent, 12 april 2016, AR 2012/2886 en AR 2015/2134, ng.  (Pub501702)

woensdag 27 april 2016

Moeilijke berekeningsmethode in meetstaat leidt niet tot nietigheid gunningsbeslissing

Zo blijkt uit een arrest (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) van de Raad van State nr. 234.464 van 21 april 2016 waarin 8 van de 9 inschrijvers twee posten van de meetstaat in de ongewone eenheid 'ton%'  verkeerd hadden berekend.

Een enkele inschrijver had wel gezien hoe het moest (nadere toelichting stond in het bestek), waarna de opdrachtgevende overheid overging tot verbetering van de rekenfouten van de andere inschrijvers bij toepassing van artikel 96 van het KB Plaatsing van 15 juli 2011.  Daardoor werd de rangschikking helemaal overhoop gehaald.  De inschrijver die zonder verbetering hoogst stond gerangschikt vatte de Raad van State.

De Raad van State oordeelt:

'Indien de verzoekende partij twijfels had bij het opstellen van haar offerte en het invullen van de samenvattende opmeting had zij de verwerende partij op dit punt, zo lijkt het, kunnen – of zelfs moeten – bevragen alvorens een offerte in te dienen. Zij heeft dit echter niet gedaan. De gevolgen voor de rangschikking van haar offerte van het feit dat zij schijnbaar over het %-teken in de
eenheid “ton%” heen heeft gelezen, lijkt zij dan ook zelf te moeten dragen. 

(...)

Voorts lijkt het feit dat maar één inschrijver de in het bestek vooropgestelde berekeningswijze juist heeft toegepast, op zich de rekenkundige verbetering van de offertes van de overige inschrijvers aan de hand van de correcte formule alvast niet onwettig te maken'.

dinsdag 26 april 2016

Overschrijding redelijke termijn leidt NIET tot bevoegdheidsverlies Raad voor Vergunningsbetwisttingen

De Raad van State, in zijn hoedanigheid als cassatierechter, werd bevraagd omtrent de gevolgen van het langdurig uitblijven van een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb).

Verzoekster in cassatie werd 5,5 jaar na het instellen van het beroep door de Gewestelijke Stedenbouwkundige Ambtenaar bij de RvVb, waaronder 5 jaar na de pleitdatum op 1 september 2010, geconfronteerd met een vernietiging van haar bekomen vergunning.

Zij meende dat het dossier geen elementen bevatte die een dergelijk lange beraadslaging konden verantwoorden. Gelet op het verstrijking van de redelijke termijn, nog volgens verzoekster in cassatie, kon de RvVb niet meer overgaan tot vernietiging van het bestreden deputatiebesluit.

Verzoekster in cassatie voerde daartoe een schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, de artikelen 9.2 en 9.4 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus), artikel 149 GW en het rechtszekerheidsbeginsel.

De Raad van State oordeelde dienaangaande als volgt:

‘13. Overeenkomstig artikel 14, § 2, RvS-wet doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak over de cassatieberoepen tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken “wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.

14. De RvVb is een administratief rechtscollege dat uitspraak doet over jurisdictionele beroepen (GwH 27 januari 2011, nr. 8/2011). Als zodanig was hij geroepen uitspraak te doen over het jurisdictioneel beroep van de GSA tot vernietiging wegens onregelmatigheid van de stedenbouwkundige vergunning die de deputatie aan de nv Fun Belgium uitreikte.

15. Op het ogenblik van het instellen van het beroep bij de RvVb bepaalde artikel 4.8.26, § l, tweede lid, VCRO dat de uitspraken van de RvVb worden uitgebracht binnen een ordetermijn van zestig dagen, die ingaat de dag na die van de zitting. Deze bepaling is thans overgenomen in artikel 87 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’.

16. De RvVb is derhalve een administratief rechtscollege dat, op straffe van rechtsweigering, uitspraak moet doen over het bij hem ingestelde jurisdictioneel beroep tegen een vergunningsbeslissing.

De loutere overschrijding van de daarvoor geldende termijn van orde onttrekt de zaak niet aan de bevoegdheid van de RvVb die ook na het overschrijden van de termijn van orde gehouden blijft uitspraak te doen over het jurisdictioneel beroep van de GSA, naar aanleiding waarvan de nv Fun Belgium een tussenkomende partij is.

Zelfs een niet verantwoorde vertraging bij het uitbrengen van een uitspraak kan de RvVb niet ontheffen van de hem door de decreetgever opgelegde verplichting uitspraak te doen over het bij hem aanhangig gemaakt jurisdictioneel beroep tot vernietiging om reden van onregelmatigheid van een vergunningsbeslissing.

Aan het overschrijden van die termijn kan de nv Fun Belgium dan ook geen ontvankelijk cassatiemiddel ontlenen “wegens overtreding van de wet” of “wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”.

17. Het middel wordt verworpen.’