dinsdag 21 juni 2016

Bestemmingswijziging kan niet als herstel in natura opgelegd worden

Zo oordeelt de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, in het vonnis van 9 juni 2016:

‘De aansprakelijkheid van de overheid ten aanzien van de burger is onderworpen aan het gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregime, zodat er een fout, schade en oorzakelijk verband in die zin van artikel 1382 e.v. BW dient bewezen te worden.

Wanneer de fout, schade en oorzakelijk verband bewezen worden, dient de rechter de overheid te verplichten tot rechtsherstel over te gaan. Dit rechtsherstel dient in principe in natura te gebeuren.

Evenwel is het herstel in natura niet mogelijk wanneer dit onmogelijk is, het rechtsmisbruik vormt, het herstel door het recht wordt uitgesloten of beperkt en wanneer de overheid een appreciatiemarge beschikt.

Wanneer de overheid een appreciatiemarge beschikt en de rechter legt een herstelmaatregel op, dan zou dit de rechtsmacht van de rechter te buiten gaan, aangezien de rechter niet in de plaats kan treden van de overheid.

De veroordeling tot herstel in natura zal slechts mogelijk zijn wanneer het handelen van de overheid kaderde binnen zijn gebonden bevoegdheid en de rechter dan alleen de uitvoering beveelt van wat de overheid had behoren te doen volgens de wettelijke of decretale bepalingen.
Wanneer de overheid daarentegen een appreciatiemarge had en niet op een bepaalde wijze moest optreden, dan kan de rechter de overheid niet verplichten om toch op deze wijze op te treden. 

De door eisers voorgehouden fout in hoofde van verweerders als overheid bestaat er in dat zij verkeerde informatie hebben verstrekt over de stedenbouwkundige bestemming van de percelen.

De rechtbank kan bij het weerhouden van de fout alleen een herstel in natura bevelen, hetgeen in casu zou inhouden de veroordeling van verweerders tot het verstrekken van de juiste informatie naar aanleiding van de aankoop en het behandelen van de vergunningsaanvragen. 
Dit is evenwel onmogelijk, aangezien de aankoop en de vergunningsaanvragen voldongen feiten zijn.

De door eerste verweerster gevraagde veroordeling ten opzichte van haarzelf en tweede verweerster houdt dan ook geen herstel in natura in, maar een compensatiemaatregel om de nadelige gevolgen van de fout op te heffen, te compenseren.
Eerste verweerster vordert te horen zeggen voor recht dat de huidige bestemming van de percelen aangepast moet worden aan de schijn die de overheid heeft gewekt bij de burgers door het verlenen van verkeerde informatie.

Evenwel behoort de bepaling van de bestemming van een perceel tot de uitsluitende bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten. Zij bepalen conform het VCRO de ruimtelijke structuurplannen, de ruimtelijke uitvoeringsplannen en de verordeningen. Zij heeft daarbij een discretionaire beoordelingsmacht. De zorg voor de ontwikkeling van de duurzame ruimtelijke ordening zoals omschreven in dit artikel van het VCRO is een gezamenlijke opdracht van deze drie overheden (art. 1.1.3. VCRO).
Maar ook hier kan de rechtbank op grond van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten en het verbod voor de rechter om zijn rechtsmacht te buiten te gaan, de overheid niet opleggen om een perceel een welbepaalde bestemming te geven.
De rechtbank zou enkel kunnen opleggen, nu blijkt dat de stedenbouwkundig ambtenaar de verkeerde stedenbouwkundige informatie heeft verstrekt en dit aan de hand van het plannenregister (bestand met stedenbouwkundige voorschriften, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verordeningen, …), dat het plannenregister dient aangepast te worden aan de werkelijk door de Vlaamse Overheid bepaalde bestemming. De door de Vlaamse Overheid bepaalde bestemming wijzigen zoals gevorderd valt buiten de rechtsmacht van de rechtbank die zich bij de discretionaire bevoegdheid van de overheid niet in de plaats mag stellen.

Het gewettigd vertrouwen dat bij de burger gecreëerd werd door het op vaste basis en gedurende lange tijd verstrekken van eenzelfde verkeerde informatie kan enkel door de burger ingeroepen worden om haar schade te bewijzen, zijnde de schending van haar rechtmatig belang (zie onder).
Eerste verweerster zal, zo zij van oordeel is dat de bestemming dient gewijzigd te worden, de geëigende procedure dienen te volgen tot wijziging van de stedenbouwkundige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld het rechten van voorstellen op hoger echelon conform artikel 1.3.3. VCRO.

De vordering van eerste verweerster, waarbij tussenkomende partij aansluit, is ongegrond.’

Referentie: Rb. Veurne, 9 juni 2016, AR 15/244/A, ng. (Pub505288)

donderdag 16 juni 2016

Vlaams Gewest in de fout doordat het aankoopplicht bij waardeverminderde RUP’s niet regelt in een uitvoeringsbesluit

Artikel 2.4.10 VCRO luidt als volgt:

Art. 2.4.10. §1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze aankoopplicht. 

§2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. 

§3. Het bedrag dat de eigenaar van het Vlaamse Gewest ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar reeds heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Hetzelfde geldt wat betreft de bedragen die reeds werden ontvangen ten gevolge van kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. 

Wanneer een eigenaar toepassing maakt van deze aankoopplicht, kan hij jegens het Vlaamse Gewest en met betrekking tot hetzelfde onroerend goed geen aanspraak meer maken op schadeloosstellingen ingevolge planschade of patrimoniumverlies of op de toepassing van enige andere aankoopplicht.’

Tot op vandaag is het nog niet gekomen tot een uitvoeringsbesluit. De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel meent in een vonnis van 10 mei 2016 dat het Vlaams Gewest hierdoor in de fout is gegaan:

‘De rechtbank oordeelt dat:

a) artikel2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009 in werking getreden, bijna zes jaar geleden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden genomen. In een vonnis van deze van rechtbank 7 februari 2014, dat ten aanzien van het Vlaamse Gewest gezag van gewijsde heeft, werd zijn overheidsaansprakelijkheid weerhouden.

Wij zijn nu twee jaar later en het Vlaams Gewest heeft nog steeds geen uitvoeringsbesluit genomen terwijl hij weet dat zijn aansprakelijkheid in het gedrang is.

Na tussenkomst van voormeld vonnis heeft de heer Dirk Van Mechelen op 24 mei 2012 een parlementaire vraag nr. 647 gesteld aan de Vlaamse minister van financiën, begroting, werk, ruimtelijke ordening en sport die als volgt antwoordde:

‘Artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) voorziet in een aankoopplicht van het Vlaamse Gewest wanneer een onroerend goed door de inwerkingtreding van een of meerdere ruimtelijk uitvoeringsplannen ernstig in waarde vermindert of wanneer de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 
De nadere voorwaarden en de procedure van deze aankoopplicht, alsook de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs worden volgens paragraaf 2 van artikel 2.4.10 VCRO vastgelegd in een besluit van de Vlaamse Regering.

Tot op heden werd nog geen dergelijk uitvoeringsbesluit vastgesteld aangezien dit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren. Sinds de inwerkingtreding van de VCRO is namelijk slechts één gerechtelijk dossier gekend waarin men zich beroept op artikel 2.4.10 van de VCRO. Bij vonnis dd. 17 februari 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd deze vordering afgewezen wegens verjaring. Tegen deze uitspraak werd beroep aangetekend door de verzoekende partij.

Het lijkt er bijgevolg op dat de stelling van de vraagsteller dat de voormelde aankoopplicht ‘tegemoet komt aan een reële behoefte’ en dat ‘meerdere bedrijven en landbouwers in de problemen komen’, dient te worden genuanceerd. Klaarblijkelijk volstaan de bestaande vergoedingsregelingen zoals planschade, kapitaalschade en gebruikersschade, om tegemoet te komen aan de meeste verzuchtingen van eigenaars en gebruikers van gronden die geconfronteerd worden met een waardevermindering tengevolge van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Aangezien het ontbreken van een uitvoeringsbesluit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren, is het volgens mij op dit ogenblik niet prioritair om hierover een ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering voor te leggen’.

M.a.w. was de minister niet op de hoogte van de uitspraak van het vonnis van 7 februari 2012 en wacht de Vlaamse Regering op problemen in de praktijk om een uitvoeringsbesluit vast te stellen. De rechtbank oordeelt dat het Vlaams Gewest een fout begaat, minstens een nalatigheid in de zin van artikelen 1382 of 1383 BW door na te laten binnen een redelijke termijn, de nodige uitvoeringsbesluiten vast te stellen en eerst te wachten dat er zich in de praktijk problemen zouden voordien in plaats van problemen te vermijden, wat van een openbaar bestuur zou mogen worden verwacht.’

Verder stelt de rechtbank:

‘Artikel 2.4.10 VCRO is niet enkel van toepassing indien de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt maar ook wanneer de waardevermindering van het onroerend goed ernstig is.’ 

(...)

‘Met betrekking tot de vraag of artikel 2.4.10 VCRO beperkt is tot gewestelijk ruimtelijke uitvoeringsplannen stelt de rechtbank vast dat voormeld artikel enkel verwijst naar ruimtelijke uitvoeringsplannen en geen onderscheid maakt tussen gewestelijke, dan wel gemeentelijke uitvoeringsplannen.

Het Vlaams Gewest voegt een onderscheid in het decreet dat door de decreetgever niet is voorzien. Deze stelling wordt door de rechtbank niet weerhouden.’

Referentie: Rb. Brussel, 10 mei 2016, AR 2014/6238/A, ng. (Pub505102)

woensdag 8 juni 2016

Vlaams Gewest in de fout doordat het decretale aankoopplicht bij waardeverminderde RUP’s niet regelt in een uitvoeringsbesluit

Artikel 2.4.10 VCRO luidt als volgt:

‘§1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaamse Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze aankoopplicht. 

§2. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. 

§3. Het bedrag dat de eigenaar van het Vlaamse Gewest ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar reeds heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Hetzelfde geldt wat betreft de bedragen die reeds werden ontvangen ten gevolge van kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid. 

Wanneer een eigenaar toepassing maakt van deze aankoopplicht, kan hij jegens het Vlaamse Gewest en met betrekking tot hetzelfde onroerend goed geen aanspraak meer maken op schadeloosstellingen ingevolge planschade of patrimoniumverlies of op de toepassing van enige andere aankoopplicht.’

Tot op vandaag is het nog niet gekomen tot een uitvoeringsbesluit. De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel meent in een vonnis van 10 mei 2016 dat het Vlaams Gewest hierdoor in de fout is gegaan:

De rechtbank oordeelt dat:

a) artikel2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009 in werking getreden, bijna zes jaar geleden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden genomen. In een vonnis van deze van rechtbank 7 februari 2014, dat ten aanzien van het Vlaamse Gewest gezag van gewijsde heeft, werd zijn overheidsaansprakelijkheid weerhouden.

Wij zijn nu twee jaar later en het Vlaams Gewest heeft nog steeds geen uitvoeringsbesluit genomen terwijl hij weet dat zijn aansprakelijkheid in het gedrang is.

Na tussenkomst van voormeld vonnis heeft de heer Dirk Van Mechelen op 24 mei 2012 een parlementaire vraag nr. 647 gesteld aan de Vlaamse minister van financiën, begroting, werk, ruimtelijke ordening en sport die als volgt antwoordde:

‘Artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) voorziet in een aankoopplicht van het Vlaamse Gewest wanneer een onroerend goed door de inwerkingtreding van een of meerdere ruimtelijk uitvoeringsplannen ernstig in waarde vermindert of wanneer de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. 
De nadere voorwaarden en de procedure van deze aankoopplicht, alsook de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs worden volgens paragraaf 2 van artikel 2.4.10 VCRO vastgelegd in een besluit van de Vlaamse Regering.

Tot op heden werd nog geen dergelijk uitvoeringsbesluit vastgesteld aangezien dit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren. Sinds de inwerkingtreding van de VCRO is namelijk slechts één gerechtelijk dossier gekend waarin men zich beroept op artikel 2.4.10 van de VCRO. Bij vonnis dd. 17 februari 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd deze vordering afgewezen wegens verjaring. Tegen deze uitspraak werd beroep aangetekend door de verzoekende partij.

Het lijkt er bijgevolg op dat de stelling van de vraagsteller dat de voormelde aankoopplicht ‘tegemoet komt aan een reële behoefte’ en dat ‘meerdere bedrijven en landbouwers in de problemen komen’, dient te worden genuanceerd. Klaarblijkelijk volstaan de bestaande vergoedingsregelingen zoals planschade, kapitaalschade en gebruikersschade, om tegemoet te komen aan de meeste verzuchtingen van eigenaars en gebruikers van gronden die geconfronteerd worden met een waardevermindering tengevolge van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Aangezien het ontbreken van een uitvoeringsbesluit in de praktijk weinig of geen problemen blijkt op te leveren, is het volgens mij op dit ogenblik niet prioritair om hierover een ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering voor te leggen’.

M.a.w. was de minister niet op de hoogte van de uitspraak van het vonnis van 7 februari 2012 en wacht de Vlaamse Regering op problemen in de praktijk om een uitvoeringsbesluit vast te stellen. De rechtbank oordeelt dat het Vlaams Gewest een fout begaat, minstens een nalatigheid in de zin van artikelen 1382 of 1383 BW door na te laten binnen een redelijke termijn, de nodige uitvoeringsbesluiten vast te stellen en eerst te wachten dat er zich in de praktijk problemen zouden voordien in plaats van problemen te vermijden, wat van een openbaar bestuur zou mogen worden verwacht.’

Verder stelt de rechtbank:

‘Artikel 2.4.10 VCRO is niet enkel van toepassing indien de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt maar ook wanneer de waardevermindering van het onroerend goed ernstig is.’ 

En nog:

‘Met betrekking tot de vraag of artikel 2.4.10 VCRO beperkt is tot gewestelijk ruimtelijke uitvoeringsplannen stelt de rechtbank vast dat voormeld artikel enkel verwijst naar ruimtelijke uitvoeringsplannen en geen onderscheid maakt tussen gewestelijke, dan wel gemeentelijke uitvoeringsplannen.

Het Vlaams Gewest voegt een onderscheid in het decreet dat door de decreetgever niet is voorzien. Deze stelling wordt door de rechtbank niet weerhouden.’

Referentie: Rb. Brussel, 10 mei 2016, AR 2014/6238/A, ng. (Pub505102).

woensdag 1 juni 2016

Naar een hervorming van het bestuurlijk toezicht

Op 27 mei  2015 keurde de Vlaamse regering de conceptnota inzake de hervorming van het bestuurlijk toezicht op lokale besturen goed.

In het Vlaamse Regeerakkoord 2014-2015 van 23 juli 2014 luidde het wat betreft bestuurlijk toezicht onder meer als volgt:

'We gaan verder in het vereenvoudigen van het administratief toezicht. We schaffen het goedkeuringstoezicht af. Het algemeen toezicht (ex post) wordt de norm.'

Met deze conceptnota wordt lvast werk gemaakt van die vereenvoudiging:

- inperking van het goedkeuringstoezicht

Enkel het goedkeuringstoezicht op de jaarrekeningen en de beslissingen inzake de oprichting en statuten van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en OCMW-verenigingen zou voorlopig behouden worden. 

- digitalisering

Vervanging van de inzendingsplicht door online bekendmakingsplicht, één uniek adres voor klachten, enz.

Tot slot voorziet de conceptnota tevens een aantal voorstellen specifiek wat financieel toezicht betreft.

We zijn benieuwd hoe deze conceptnota verder zal uitgewerkt worden in het Decreet Lokale Besturen.

Wij volgen dit alvast mee op.

Aansprakelijkheidsregime statutair overheidspersoneel ook van toepassing op de bijzondere rekenplichtige van een politiezone

Althans zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent in een recent vonnis:

'Artikel 30 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst (hierna afgekort WGP) bepaalt dat de ontvangsten en uitgaven van de politiezone worden gedaan door een bijzondere rekenplichtige die zijn taak in volle onafhankelijkheid moet kunnen uitoefenen. De bijzondere rekenplichtige is de financiële raadgever en de financiële beheerder van de lokale politie. Hij staat onder het gezag van het politiecollege. Hij heeft tot taak om, alleen en onder zijn verantwoordelijkheid, de ontvangsten van de politieoverheid te innen en tegen regelmatige bevelschriften de betaalbaar gestelde uitgaven te doen ten belope, hetzij van het bijzonder bedrag bepaald in elk artikel van de begroting, hetzij van het bedrag van de overeenkomstig artikel 248 van de nieuwe gemeentewet overgeschreven kredieten.

(...)

Artikel 2 van de wet van 10 februari 2003 bepaalt:

'Ingeval personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen, wier toestand statutair geregeld is, bij de uitoefening van hun dienst schade berokkenen aan de openbare rechtspersoon of aan derden, zijn zij enkel aansprakelijk voor hun bedrog en zware schuld. Voor lichte schuld zijn zij enkel aansprakelijk als die bij hen eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.'

Volgens eiseres is deze wet niet toepasselijk op de bijzondere rekenplichtige van een politiezone. Volgens de andere partijen is dit wél het geval. 

De aan de verweten tekortkomingen hebben betrekking op (...). Deze tekortkomingen hebben dus geen verband met de taak van de bijzondere rekenplichtige die hij 'alleen en onder zijn verantwoordelijkheid' uitvoert in de zin van artikel 30 WGP (zie hoger randnummer 2). 

De rechtbank oordeelt dan ook dat de aansprakelijkheid van de verweerder ter zake dient beslecht overeenkomstig artikel 2 van de wet van 10 februari 2003.'

Referte: Rb. OVL-Gent 8 april 2016, AR 10/530/A, PUB505206

woensdag 25 mei 2016

College van burgemeester en schepenen kan wel degelijk een uiterst dringende noodzakelijkheid doen gelden voor RvVb

Zo blijkt uit het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. RvVb/UDN/1516/1121 van 23 mei 2016:

‘De belanghebbende partij werpt vergeefs op dat de verzoekende partij onvoldoende persoonlijk nadeel heeft bij de gevorderde schorsingsmaatregel, nu niet de verzoekende partij maar wel de stad titularis is van haar vergunningsbeleid. De verzoekende partij is immers vergunnigverlenend bestuursorgaan in eerste aanleg. Als zodanig waakt zij door het gericht toekennen of weigeren van vergunningsaanvragen over de naleving van het ruimtelijk beleid van de stad, zoals dit onder meer vertaald wordt in stedenbouwkundige verordeningen en de gemeentelijke uitvoeringsplannen. In de mate de verzoekende partij van oordeel is dat een vergunning die in administratief beroep toegekend is, de benaarstiging van haar concreet vergunningenbeleid doorkruist, ondergaat zij wel degelijk een persoonlijk nadeel tengevolge van de bestreden vergunningsbeslissing en wordt zij gehinderd in de uitvoering van haar bestuurlijke taken.

De verzoekende partij verwijst in haar verzoekschrift naar de motivering van haar weigeringsbeslissing genomen op 9 november 2015, waarin zij het behoud van het betrokken hoekpand als volgt motiveert:

‘Het betreft een beeldbepalend pand binnen de historische binnenstad van Kortrijk dat zich bovendien op een bijzondere zichtlocatie langs de Leie bevindt (…).
Dit historisch pand neemt door zijn verhoudingen eenduidig de originele schaal en verhoudingen aan van de oorspronkelijke Vismarkt (…).
Daarom dringen wij aan op het behoud en de integratie van de waardevolle bebouwing in het nieuwbouwproject, omdat dit een meerwaarde zou betekenen tussen als overgang tussen de hoogbouw Handelskaai en de historische bebouwing Kasteelkaai (voormalige Vismarkt). De waardevolle woning vormt nu reeds een passende gevelwand van het te herwaarderen driehoekige plein’.

De verzoekende partij motiveert aldus op afdoende wijze haar persoonlijk en concreet nadeel bij huidige vordering dat ertoe strekt het beeldbepalend en waardevol hoekpand te behouden, minstens te integreren in het voorziene nieuwbouwproject’.
  
Referte: Pub5648-2 

Gemeente kan maar informeren wat zij weet

In een arrest van 13 mei 2016 verwerpt het hof van beroep te Gent de aansprakelijkheidsvordering die door een koper werd ingeleid tegen de gemeente. Het heette dat de gemeente gebrekkige informatie zou hebben verstrekt.

Het Gentse hof overweegt:

‘Van welkdanige fout in hoofde van de gemeente O. of het Vlaamse Gewest is evenwel geen sprake.

Inzonderheid werd naar aanleiding van de onderhandse overeenkomst geen fout begaan bij de informatieverstrekking.

De kopers waren reeds op de hoogte van het onteigeningsrisico en zoals reeds aangehaald bestond er op datum van het ondertekenen van de onderhandse verkoopovereenkomst geen zekerheid over de onteigening, laat staan over de concrete uitwerking daarvan.

De na het ondertekenen van de compromis door de gemeente verstrekte stedenbouwkundige inlichtingen waren evenzeer correct.Op dat ogenblik was er een geldige verkavelingsakte voorhanden en geen onteigeningsplan zodat de aan de notaris overgemaakte inlichtingen wel juist en afdoende waren. Op heden ligt trouwens nog steeds geen onteigeningsmachtiging voor zodat niet valt in te zien welke andere gegevens hadden moeten zijn meegedeeld.

Tot op vandaag is niet duidelijk of en wanneer de onteigening daadwerkelijk zal aanvangen. Er ligt nu wel een onteigeningsplan voor maar dat dateert inmiddels ook al van twee jaar geleden en sindsdien is er kennelijk niets meer gebeurd.

Zoals blijkt uit de evolutie van het dossier is de concrete uitvoering afhankelijk van tal van factoren en kan van de overheid niet verwacht worden dat zij zich vastpint op één of andere datum daar waar zij hier kennelijk zelf nog geen zicht op had en heeft.  Dit alles heeft niets te maken met het niet willen of weigeren of beantwoorden van vragen.

Zoals reeds aangehaald, betreft de aanleg van de rotonde een evolutief proces, werd in 2010-2011 slechts de aanzet tot de herinrichting van het kruispunt gegeven en is de concrete uitwerking ervan pas geleidelijk in de jaren nadien gevolgd.

Er is dus geen schending van informatieplicht en evenmin van het rechtzekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur nu de kopers heel goed wisten dat een onteigening zich mogelijkerwijze zou aandienen. Er kan hier niet gewaagd worden van verworven rechten ingevolge de goedgekeurde verkaveling waaruit zelfs niet concreet de gebeurlijk te onteigenen oppervlakte kon worden afgeleid.

Dat F.W. en M.-H. S. ‘vandaag’ moeten aankopen en ‘morgen’ zouden worden onteigend, staat nog steeds niet vast. Zoals gezegd is het voorwerp van de overeenkomst nog altijd voorhanden.

Het is in dit verband ook niet relevant dat de overheid zou meedelen welke impact de werken op het onroerend goed zullen hebben nu deze werken pas sedert april 2012 geconcretiseerd werden en dit op 13 juli 2011 nog geenszins het geval was.

Welkdanige onderzoeksmaatregel (‘nadat de onteigeningsbesluiten zullen zijn genomen’) of voorbehoud wordt dan ook afgewezen en de vrijwaringsvorderingen zijn ongegrond.’

 Referentie: Gent 13 mei 2016, nr. 2013/AR/2555 en 2013/AR/2636, ng. (Pub503431)